Zes holes van bovenaf gezien: het gras, de muurtjes, de hole met het vlaggetje. Trek je vinger van de bal naar achteren, als een keu: de gele lijn laat zien waar hij heen gaat en hoe hard (rood als het te hard is). Laat los en de bal rolt, stuit tegen de muurtjes en remt af; rolt hij zachtjes over de hole, dan valt hij erin. Elke hole heeft zijn par: vijftien punten voor een hole-in-one, tien voor par of beter, daarna steeds minder. De inkepingen veranderen de holes: meer muurtjes, beter verstopte holes.
Mini Games GO